Bij ons op school vinden we het belangrijk dat leerlingen leren samenwerkend en samenwerkend kunnen leren. Onder leren samenwerken verstaan we de vaardigheden aanleren om te kunnen samenwerken. Hierbij kunt u denken aan: elkaar laten uitpraten, elkaar aankijken wanneer je met elkaar praat, luisteren naar elkaar, elkaars ideeën verwoorden. Hiermee beginnen we al mee in de kleuterklassen.

In groep 3/4 wordt gestart het samenwerkend leren. Onder samenwerkend leren verstaan we: ‘Een onderwijsleersituatie waarin leerlingen in kleine heterogene groepen op een gestructureerde manier samenwerken aan leertaak met een gemeenschappelijk doel. Hierbij zijn de leerlingen niet alleen gericht op hun eigen leren maar ook op dat van hun groepsgenoten. Leerlingen leren zo van en met elkaar’.

Het doel van samenwerkend leren is:

  1. Het vergroten van de leerwinst
  2. Het creëren van gelijkwaardigheid tussen leerlingen
  3. Sociale vaardigheden trainen
  4. Het verbeteren van het conceptuele denken

Van groep 3 tot en met 8 passen we de volgende werkvormen toe:

Denken-Delen-Uitwisselen

  • Er wordt een vraag gesteld aan de groep;
  • De leerlingen denken individueel na over het antwoord;
  • De leerlingen wisselen dit uit in door leerkracht gemaakte tweetallen;
  • Er vindt een gesprek plaats op groepsniveau waarbij de antwoorden worden besproken;
  • De werkvorm wordt geëvalueerd.

Rotonde

  • Leerkracht maakt heterogene groepjes;
  • Leerkracht stelt een vraag of geeft een opdracht;
  • De leerlingen krijgen allemaal een verschillende kleur pen;
  • De leerlingen schrijven hun antwoord op;
  • De verschillende groepjes kijken naar de verschillende antwoorden binnen het groepje, praten hierover door, en komen samen door discussie tot 1 antwoord;
  • De leerkracht bespreekt klassikaal de antwoorden per groepje;
  • De werkvorm wordt geëvalueerd.

Koppen bij elkaar

  • Leerkracht geeft elke leerling een nummer;
  • Leerkracht verdeelt de leerlingen in heterogene groepen;
  • Leerkracht geeft een opdracht of stelt een vraag;
  • De leerlingen denken met elkaar hier over na en/of maken de opdracht;
  • De leerkracht noemt een nummer, bijvoorbeeld 3, en alle nummers 3 van elk groepje moeten dan antwoord geven op de vraag, of terugkoppelen waar ze over nagedacht hebben;
  • De werkvorm wordt geëvalueerd.